ENGINEERINGNET.BE - Er zijn gedurende twee jaar emissiemetingen uitgevoerd op vier gangbare melkveebedrijven in Vlaanderen.
Hierbij werden de ammoniak- en methaanemissies gemeten met continue sensormeetsystemen en standaard referentiemethoden.
Ook het Vlaamse Instituut voor Landbouw-, Visserij- en Voedingsonderzoek (ILVO) en TNO waren bij de meetcampagne betrokken.
Uit de resultaten blijkt dat de emissiewaarden die met continue sensoren zijn vastgesteld, niet statistisch significant verschillen van de waarden die met de standaard referentiemethoden zijn gemeten.
Daarmee bevestigt het onderzoek dat moderne sensortechnologie een betrouwbare basis kan vormen voor langdurige monitoring van emissies in melkveestallen.
De onderzoekers vergeleken de emissies van ammoniak en methaan die met beide meetmethoden werden vastgesteld.
Voor de bepaling van de emissies is gebruik gemaakt van rekenregels zoals beschreven in het 'Protocol voor meting van ammoniakemissie uit huisvestingssystemen in de veehouderij 2013a', om de vergelijking met de huidige emissiefactoren mogelijk te maken.
Voor ammoniak bedroeg de gemiddelde emissie op basis van continue sensormetingen 18,0 kilo per dierplaats per jaar.
Met de standaard referentiemethoden werd gemiddeld 19,0 kilo gemeten. Hierbij is gecorrigeerd voor factoren zoals het melkureumgehalte, de buitentemperatuur en het beloopbare vloeroppervlak.
Ook voor methaan kwamen de resultaten dicht bij elkaar. Continue sensormetingen leverden een gemiddelde emissie op van 357 kilo methaan per dier per jaar, tegenover 351 kilo met de standaard referentiemethoden.
Verder onderzochten de onderzoekers de invloed van ventilatie op de berekende emissies. Het ventilatiedebiet, ofwel de hoeveelheid lucht die door een stal stroomt, blijkt een veelbelovende aanvullende factor om emissiemetingen tussen verschillende stallen beter vergelijkbaar te maken.
Als het ventilatiedebiet wordt meegenomen in de berekeningen, komen de gemiddelde ammoniakemissies uit op 13,6 kilo per dierplaats per jaar bij continue metingen en 13,9 kilo bij metingen met de standaard referentiemethoden.
Het onderzoek maakt deel uit van een bredere samenwerking tussen WLR en ILVO. Door meetmethoden en meetresultaten met elkaar te vergelijken, willen de onderzoeksinstituten meer inzicht krijgen in de overeenkomsten en verschillen tussen de verschillende technieken.
Deze kennis is belangrijk voor verdere harmonisatie van emissiemetingen in de melkveehouderij.