ENGINEERINGNET.BE - Het idee voor deze ruimtetelescoop gaat ruim twee decennia terug. Sindsdien werd het ontwerp meermaals aangepast om de kans op succes zo groot mogelijk te maken.
‘Ruimtemissies voor astronomisch onderzoek zijn een kwestie van lange adem’, aldus Aurora Simionescu van de Nederlandse ruimtevaartorganisatie SRON. ‘Wil je baanbrekend onderzoek doen in de ruimte, dan vraagt dat vele jaren inzet.’
Als co-Principal Investigator (co-PI) leidt Simionescu de Nederlandse bijdrage aan de X-ray Integrated Field Unit, ofwel XIFU.
Deze geavanceerde spectrometer voor röntgenstraling moet supernovae, clusters van sterrenstelsels, extreem hete, interstellaire gaswolken en grote erupties van individuele sterren onderzoeken. En zwarte gaten.
Zwarte gaten hebben grote invloed op hoeveel sterren ontstaan en waar dat gebeurt. Zonder deze relatief kleine, maar extreem zware objecten zouden sterrenstelsels als de Melkweg er dus heel anders uitzien.
Simionescu: ‘Ik wil begrijpen hoe sterrenstelsels en zwarte gaten samen opgroeien; hoe ze interacteren. Er is nog zoveel aan deze interactie dat we niet begrijpen.’
‘NewAthena wordt op z’n vroegst gelanceerd in 2037. We bouwen deze telescoop dus voor toekomstige generaties astronomen. Zij zullen met onderzoeksvoorstellen komen waar wij nu nog niet aan denken.’
Dat juist Nederland de co-PI van NewAthena’s spectrometer levert, is geen toeval, zegt Simionescu. ‘Geen ander land in Europa kan zulke goede röntgenspectrometers maken als Nederland.’
Dat komt door de kennis en ervaring die Nederlandse wetenschappers en ingenieurs opbouwden. Zo ontwikkelde SRON onder meer de spectrometers voor Chandra (NASA) en XMM-Newton (ESA), die beide in 1999 werden gelanceerd.
Als co-PI slaat Simionescu de brug tussen bouwers van het instrument en toekomstige gebruikers.
‘Bouwers moeten begrijpen wat astronomen met de instrumenten aan boord willen doen. Dan kunnen ze betere beslissingen nemen en prioriteiten stellen bij de bouw. Andersom moeten wetenschappers de capaciteiten van de instrumenten goed doorgronden. Alleen dan kunnen ze de telescoop tot de limiet pushen voor maximaal wetenschappelijk resultaat.’